Welkom op

Run away [verhaal]

Ik hoorde de deur van het kantoor open gaan. Ik was er voor de zoveelste keer die week uitgestuurd omdat ik mijn huiswerk gedaan had en bovendien brutaal geantwoord had.  ‘Waarom ben je er deze keer weer uitgestuurd?’ Vroeg meneer van Dam met een ongeduldig gezicht.  Ik gaf geen antwoord.  ‘Lieke, ik verwacht een antwoord als ik tegen je praat!’.  Weer bleef het stil van mijn kant.  Ik dacht aan die morgen, mijn moeder had weer eens te veel gedronken en ze had me geslagen omdat ik de afwas was vergeten te doen.  Meneer van Dam zuchtte,  schoof zijn bureau stoel aan en keek me toen door dringend aan.  ‘Huiswerk niet gedaan’  antwoorde ik uiterst kalm. Ik had hier helemaal geen zin in. Ik ben een mislukkeling.  ‘Dat is al de zoveelste keer Lieke, ik zal toch echt contact met je ouders opmoeten nemen.’ Geschrokken keek ik hem aan.  Daar kwam ik zeker weten niet zonder klappen vanaf.  ‘Dat kan niet, ze is de hele week weg.’ Loog ik stamelend. ‘Maakt niet uit,  we hebben  haar mobiele nummer.  Trouwens je kunt gaan. ’ Ik liep het kantoor uit is, sloot de deur achter me, griste mijn jack van de kapstok en rende de school uit.  Snel, sneller, het plein over. In een flits zie ik enkele andere leerlingen naar mij kijken, vast over hoe lelijk ik eruit zie.  Ik pakte vluchtige het koude sleuteltje van mijn fiets uit mijn jaszak en haal mijn fiets van het slot.  ‘Hee! de lessen zijn nog niet afgelopen, hier blijven!’  Hoor ik vaag achter me.  Niet dat ik daar naar luister, ik wil weg, weg van alles en iedereen.  Ik ruk mijn fiets uit het rek.  Mijn fiets is eigenlijk veelste klein, dus mijn knieen raken het stuur als ik niet een beetje oppas.  Voorover gebogen cross ik de straat uit, de bocht om. Ik voel  de blauwe plekken op mijn benen,  ik ben duizelig en bedenk me dat ik ben vergeten te ontbijten die morgen.  Het is koud voor een dag in april en ondanks dat de bomen alweer wat blaatjes vertonen lijkt de wereld om mij heen somber.  Ingedachte zie ik mijn moeder woedend staan te wachten tot ik thuis kom.  Ineens hoor ik een hard getoeter, in een flits kijk ik naar links.  Ik voel een stekende klap in mijn zij, het word zwart voor mijn  ogen.

‘Hoor je me?’ Hoor ik vaag. Het klinkt ver weg. Waar ben ik? Dan voel ik een snijdende pijn bij mijn heup. Ik wil ja antwoorden, maar er komt alleen en raar gestamel, dus knik ik voorzichtig. Ik mijn ogen open,  alles draait. Ik voel me misselijk.  Ik kijk op zij en dat in de rode Peugeot waar ik tegen aan gebotst bent een dikke deuk zit.  ‘Niet schrikken, ik ga je mee nemen naar de dokter om de hoek.’ Ineens weet ik alles weer.  ‘Nee doe niet!’  Het komt er iets bozer uit als de bedoeling is, maar ik ben zo bang dat ze mijn blauwe plekken zien.  Mijn moeder vermoord me als iemand er achter komt.  ‘Het gaat wel weer’ Lieg ik. Ik probeerde resoluut te gaan staan.  Mislukt,  de pijn schiet door mijn lichaam ik kan niet anders als weer gaan zitten. Nog een poging, deze keer lukt het me wel.  ‘Bedankt!’ Roep ik de man die me geholpen heeft na.  Bij elke stap voel ik pijnlijke steken in mijn zij en ik voel me duizelig. Nog een klein stukje Lieke, moedig ik mezelf aan.  In de verte zie ik een auto met daarachter een donker rode trailer  de straat in rijden. 

Al snel begrijp ik dat dat de nieuwe buren moeten zijn.  De deuren van de auto gaat open en er stapt een volslanke vrouw met krullen, een man met bruinhaar,  een jongen van een jaar of 16 en klein meisje uit.  Ze zien er aardig uit.  ‘Hallo!’ Hoor ik achter me, ik draai me om. Daar staat de vrouw die ik net zag uitstappen.  Ze steekt haar hand uit.  Ze heet Nel.  Ik geef haar glimlachend een hand en noem mijn naam.  Al snel komt ook de jongen, die Ruben blijkt te heten mij ook een hand geven. Hij kijkt me lachend aan en verteld me dat ze uit Limburg komen en er dus al heel wat kilometers op hebben zitten.  Ik lach terug,  maar bedenk me gelijk omdat het zo’n pijn doet. Ik hoor gebonk achter me, en draai me om.  De nieuwe buurman komt de trailer uitlopen met een lichtbruine pony.  Bewonderend kijk ik naar het prachtige dier,  hij straalt iets bijzonders uit.  Ruben ziet dat ik naar hem kijk  ‘Dat is Vinùr, een Ijslander.’ Ondanks dat ik geen idee heb van wat een Ijslander wel niet is ben ik gelijk verliefd.

 Gelijk word ik van mijn roze wolk gehaald, ik hoor mijn moeder Helena roepen:  ‘Lieke, hier komen!’ Ik zie aan haar dat ze weer te veel gedronken heeft.  Ze is woedend.  ‘Ik moet gaan.’ Stamel ik.  ‘Doei!’.  Ik hoop dat hij niet achter me aanloopt.  Ik druk de koude klink van de schutting naar beneden en loop de tuin in. Terwijl ik de kamer instap, komt Helena stampend op me aflopen.  ‘Waar blijf je nou stom rot kind?’  Ze grijpt me bij m’n arm, en voor ik het door heb heb ik alweer een mep te pakken.  In het begin probeerde ik me nog te verzetten, maar ik weet dat het geen zin heeft.  Weer een blauwe plek erbij. Blijkbaar heb ik dit verdiend. Ze slaat nog een keer, dit keer tegen mijn lip. Ik proef bloed. ‘Au!’ Gil ik. Ze kijkt me boos aan. ‘De conrector belde net,  dat je brutaal was wist ik wel,  maar ook op school?!’ Weer heb ik een mep te pakken.  Ik trek me los en ren de trap op, naar mijn kamer.  Vanaf mijn bed staar ik naar buiten.  Ik wou dat het een keer ophield. Er biggelen tranen over mijn wangen. Niet huilen beveel ik mezelf, huilen is slap. Ik veeg de tranen weg met mijn handpalm.  Maar het helpt niks de tranen blijven maar stromen. Sinds mijn vader er vandoor ging en mijn moeder haar werk kwijt raakte ging het steeds slechter, ze werd depressief en kwam aan de drank.  Alles wat ik doe  is verkeerd en uiteraard slaag waard. Waarom leef ik?  Ik merk nu pas hoe moe ik eigenlijk ben, ik leg mijn hoofd op het kussen.  Binnen een paar minuten val ik in slaap.

‘Word wakker!’  Er word in m’n rug gepord.  Ik ruik de sterke lucht van wijn en bier.  Hoe kon het ook anders.  Ik open mijn ogen en zie de koude blik van Helena. ‘Opschieten!’ Weer voel ik een pijnlijke por  in mijn rug. Snel stap ik uit bed.  De betonnen vloer onder mijn voeten voelt koud. Helena loop stampend mijn kamer uit.  Haastig kleed ik me uit, de spiegel vermijd ik. Ik heb geen zin om mijn lelijke lichaam te zien.  Terwijl ik de kast open doe bedenk ik dat alles in de wasmand zit. Snel schiet ik weer in mijn pyjama, loop naar de douche en gooi alles in de was. Ik doe de broek van gisteren maar weer aan en een hemdje dat er nog schoon uitziet.  Zachtjes loop ik de trap af.  Ik voelde mijn hart kloppen in mijn keel.  ‘Waar blijft mijn eten?’ Vraagt Helena ongeduldig.  Ik smeerde een boterham,  legde hem op een bordje en gaf hem aan Helena.  Dan gaat de bel. Ik loop naar de voordeur en open de deur.  ‘Eh hay, ik ben Mieke’ Stottert het buurmeisje. ‘Hoi!’ Zeg ik zogenaamd vrolijk.  ‘Vind je het misschien leuk om mij te helpen met poetsen van de paarden?’.  En voor ik het door heb,  heb ik al ja gezegd.  Ik doe de deur achter mij dicht en steek de straat over.  Samen met Mieke loop ik het erf over. Achter het huis zijn prachtige stallen, er is een kleine buitenbak met daar naast een klein terrasje en een weitje.  Nel rijd in de bak op een betoverend mooi bruin paard.  Ik zie Ruben ontspannen over de bakrand hangen.  Hij zwaait naar me.  Ik krijg een warm gevoel in mijn buik.  ‘Kom! ’ Zegt Mieke blij. Ik volg haar naar het gezellige, witte stallenblok.  Ik ruik de geur van ammoniak. Eenmaal binnen zie ik Vinùr staan.  ‘Dit Vinùr,  dat betekent vriend.  Maar dat had Ruben vast al verteld. We noemen hebben vaak Finn.’  ‘Hallo Finn’  Fluisterde ik zacht terwijl ik over zij zachte neus aaide. Ik had nog nooit  een paard van zo dicht gezien. ‘Durf je hem te borstelen?’ Vroeg Mieke me. Ik knikte en ze gaf me een borstel. Ik stap rustig de stal binnen.  Ik had gedacht dat ik bang zou zijn voor zo’n groot dier, maar het voelt juist  vertouwt.  Zachtjes strijk ik met de borstel  over  de warme vacht van Vinùr.  Hij kijkt me met zijn grote ogen aan. Voor het eerst in mijn leven voel  ik me minder alleen. 

Mieke doet me voor hoe ik Vinùr moet poetsen.  Het is best Lastig, maar ik geniet er echt van.  Voorzichtig til ik Vinùrs achterhoef van de grond, even ben ik bang dat hij zal trappen maar er gebeurd gelukkig niks.  Er valt een dun straaltje ligt door het  rechthoekige raampje van de stal.  ‘Wat is er met je lip gebeurd?’ Vraagt Mieke mij.  Ik schik,  straks komt ze er achter. ‘Ruzie gehad op school.’ Antwoord ik maar snel. ‘Waarover dan?’ Vraagt ze natuurlijk gelijk. Slechte smoes.  Ik zie aan Mieke dat ze me niet geloofd. ‘Maak niet uit.’ Zeg ik maar, ik moet toch wat zeggen. 

Gelukkig vraagt ze niet verder.  Ze geeft me een borstel, het lijkt net een haarborstel. ’Dat is voor de manen.’ Legt ze uit. Nadat Mieke het uitgebreid heeft voorgedaan is het mijn beurt.  Ik beweeg de borstel van boven naar beneden door de aarde kleurige manen van Vinùr.  Hij briest zachtjes, en kijkt me nogmaals aan, het lijkt alsof ik naar mezelf kijk, zijn ogen lijken vol verdriet. Ik wist niet dat paarden zulke magische dieren waren.  

‘Zullen we naar buiten gaan?’ vraagt Mieke mij.  Ik schrik wakker uit mijn dagdroom en knik. Ik  sluit de deur van Vinùrs stal en loop achter haar aan. Ik voel mijn heup nog steeds bij elke stap, maar ik ben al lang niet meer zo duizelig als gisteren.  Met mijn tong tast ik mijn kapotte lip af. Het wondje valt mee gelukkig.  Ruben staat nog steeds bij de bakrand te kijken, ik ga naast hem staan. Hij geeft lachend commentaar aan Nel. ‘Het mag nog iets actiever!’ Hoor ik hem naar Nel roepen. Ik heb niet echt een idee wat hij daar mee bedoelt, maar zo te zien begrijpt Nel het wel, want ze knikt. ‘En wat vind je van de paarden?’ Vraagt hij me.  Voor het eerst kijk ik hem diep in zijn ogen, hij is eigenlijk best leuk. Echt zo’n jongen die alle meisjes kan krijgen. Onbereikbaar voor mij. Dan bedenk ik me dat ik nog helemaal geen antwoord op zijn vraag heb gegeven. Ik voel mijn wangen rood worden.  ‘Ze zijn gaaf. Vooral Vinùr.’ Antwoord ik. ‘Vinùr is bijzonder ja.’ Zegt Ruben met zijn gedachten duidelijk ergens anders. Ik zie Mieke vanachter op Ruben afstormen, ze springt op zijn rug. ‘Miek, kap daar nou eens mee!’ Roept Ruben lachend terwijl hij haar van zich af probeert te schudden.  Ik voel de jaloezie door me heen gaan, ik wou dat ik ook een familie had die van me hield. Er ontstaan tranen in mijn oog hoeken.  Doe nou niet zo zwak, jij hebt dit zelf verdient! Beveel ik mezelf. Snel pink ik de tranen weg. ‘Ik ga.’ Zeg ik, en ik draai me snel om.  Achter me klinkt nog een vrolijke doei.  Ik kijk niet achterom, want de tranen lopen alweer over mijn wangen. Waarom weet ik niet eens echt, ik ben gewoon zwak.  Half rennend steek ik de straat over.  In mijn gedachten zie ik Vinùr mij aan kijken met zijn grote ogen.  Zo bijzonder maar ook zo verdrietig. 

Ik ga door de achterdeur naar binnen.  Gelukkig zie ik dat Helena slaapt, hopelijk heeft ze niet gemerkt dat ik bij de buren was.  Ze is natuurlijk gelijk bang dat ik iets verteld heb.  Ik loop naar de kelder en haal een overgebleven portie spaghetti uit de diepvries.  Ik warm het snel op en werk het bord zonder na te denken naar binnen.  Vroeger hield ik niet  van spaghetti, maar tegenwoordig eet ik wat er te eten valt.  Vluchtig veeg ik mijn mond af, en begin ik met de afwas. Het is best veel, want Helena gooit gebruikt voor elk glaasje drank een nieuw glas. Ze is er van overtuigd dat ik anders iets in haar glas doe als ze even niet oplet. Niet dat ik dat van plan ben, maar een monster als ik is tot alles in staat volgens haar.  De oude afwasborstel is nodig aan vervanging toe, maar geld voor een nieuwe is er niet. Ik was alles af, de borden van vanmorgen, mijn spaghetti bord, zo’n vijftien wijnglazen en een theebeker.  Als alles afgewassen en afgedroogd is, pak ik een boek uit de kast.  Het is een roman.  Ik zit helemaal in het verhaal als ik ineens merk hoe koud ik het heb. Ik wil douchen, ik loop de trap op, en gris een handdoek uit het kastje in de douche.  De douche zet ik aan, en ik kleed me snel uit. Ik zie een mezelf in de grote badkamerspiegel.  Ik word bijna misselijk. Het valt me op hoe lelijk ik eigenlijk ben, misschien was dat bord spaghetti toch niet zo’n goed idee. Ik loop naar de wc, steek mijn vinger in mijn keel en kots alles er uit. Snel spoel ik door.  Het hete water klettert op mijn blote rug. Het verdooft de pijn van het ongeluk.  Ik pak de fles douchegel en spuit een flinke lading op mijn washand, het schuimt op mijn huid.  Het water spoelt alle zeep weg.  Ik draai de kraan nog iets warmer.  Dan hoor ik een flinke knal van beneden. Ik draai de douche uit. Droog me af, kam mijn haar en schiet in mijn kleren.  Ik durf niet nog eens in de spiegel te kijken.  Ik vlieg de trap af naar beneden en doe de kamer deur open. Helena staat midden in de kamer,  om haar heen ligt een lege krat wijn.  Tegenover haar staat Ruben. Ze kijkt mij boos aan: ‘Wie is dit?!’ Krijst ze. ‘De buurjongen’ Stamel ik.  Ruben kijkt haar geshockt aan, maar steek dan zijn hand uit als of er niks gebeurd is. ‘Ruben’ Zegt hij, met zijn hand nog steeds uitgestoken.  Maar Helena geeft geen hand,  ze is woedend. Hij trekt zijn hand in, en kijkt me verbaasd aan. Ik schaam me ‘Je kunt beter gaan denk ik.’ Zeg ik kil. Ik weet dat ik het voor mezelf verpest heb, maar wat als ze nog bozer was geworden? Ik wil er niet eens aan denken. De vloer onder mijn voeten is koud, ik ben vergeten sokken aan te doen.  ‘Wat deed hij hier?!’ Vraagt Helena mij wit van woede ‘Heb je hem iets verteld?’. Ik schud bang mijn hoofd.  Ze loop stampend op mij af.  Mijn handen zweten,  ik krijg bijna geen lucht. ‘Jij lelijk, dik mormel.’ Ze is boos, heel boos.  Ze slaat me met een lege fles wijn in mijn nek. Pijn schiet door mij heen. Er gaat geen dag voorbij zonder ruzie. Maar ik heb het verdient zegt ze. Nog een klap, ik zie zwarte vlekken voor mijn ogen.  Pijn, heel veel pijn.  Ze trapt, dit keer tegen mijn schenen. Dan hoor ik haar weg lopen. Ik blijf liggen. Alles draait. Naar een paar minuten probeer ik te gaan staan. Het lukt, maar alles blijft pijn doen. Ik zie Helena weg rijden. Ik kijk op de klok. Het is 6 uur.  Waar ze heen is weet ik niet, maar haar kennende is ze wel even weg. Ik moet sorry zeggen tegen Ruben. Ik loop de straat over naar de buren. Wat moet ik zeggen? Zal ik achterom gaan? Nee dat is onbeleefd.  Ik bel aan. Dinggdongg klinkt het door de deur heen. Er word open gedaan, het is een man die Tim blijkt te heten.  ‘Hallo! Jij moet het buurmeisje zijn?’ Hij lijkt dwars door mij heen te kijken, maar heeft het zelfde vrolijke gezicht als Mieke, Ruben en Nel.  ‘Ja klopt, ik ben Lieke.’ Zeg ik met mijn nepsmile.  Hij glimlacht: ‘En zeg het eens, waarvoor ben je hier?’ ‘Ik wil Ruben graag even spreken’ Zeg ik. ‘Kom binnen! Hij is boven.’ Hij wijst me de trap en verteld me dat het de eerste deur is. Ik loop naar boven en klop op de deur. ‘Ja, binnen!’ Klinkt het met chagrijnige stem.  Duidelijk de stem van Ruben. Ik druk de klink twijfelend naar beneden. Ik heb nog helemaal geen excuus bedacht, hij zal me wel raar aan kijken.  Ik stap de kamer binnen. Rubens kamer is gaaf donkerblauw geverfd, er staat een mooi bed en een bureau in. Het ziet er gezellig uit. ‘Heey jij bent het!’ Zegt hij verbaasd. Het klinkt zelfs bijna alsof hij blij is dat ik er ben, maar dat zal wel onzin zijn, ik moet mezelf geen dingen voor houden.  ‘Ja’ Zeg ik dus maar. ‘Ik ben hier omdat ik sorry wil zeggen.’ Hij kijkt me met zijn mooie bruine ogen lief aan en glimlacht. ‘Jij ook sorry, ik had nooit zomaar binnen mogen komen.’ Automatisch verschijnt er een lach op mijn gezicht. Ik ben duizelig. ‘Ik ga maar weer..’  Antwoord ik, en ik draai mij om. ‘Wacht even!’ Roept hij. Ik kijk over mijn schouder . ‘Gaat het wel goed met je? ’ Vraagt hij. Precies raak, hoe wist ie het. Er komen weer tranen omhoog. Ik knik en wil doorlopen, maar de tranen lopen over mijn wangen.  Hij legt zijn warme hand op mijn schouder, mijn hele lichaam tintelt. Ik draai me om en schud dan mijn hoofd.

‘Ga zitten.’ Zegt hij zacht. Ik plof neer op zijn grijze dekbed. Ik kijk hem aan, hij legt zijn arm om me heen.  De tranen rollen over mijn wangen. ‘Sorry..’ Zeg ik zacht. ‘Het is oké.’Zegt hij liefkozend.  Zijn bruine krullen zien er nog mooier uit als gisteren, hij heeft een mooi bruin shirt aan met een V-hals.  Ik kijk naar mijn eigen rode shirt, hij is al een paar jaar oud en een beetje vaal geworden.  Mijn skinny-jeans is een beetje te kort geworden, maar er is gewoon geen geld voor een nieuwe.  ‘Wil je het er met me over hebben?’ Vraagt hij me zacht. Diep van binnen wil ik dat wel, maar ik kan het gewoon niet vertellen. Ik schud mijn hoofd. ‘Je kunt me vertrouwen he?’ Ik zucht. ‘Sorry ik kan het niet.’ Stamel ik. Hij knikt begrijpend. ‘Je bent hier altijd welkom .’ Ik knik en we staan op. Hij brengt me naar de deur en knijpt even in mijn hand. Ik krijg er een warm gevoel van.  ‘Mag ik nog even naar Finn?’ Vraag ik. ‘Tuurlijk! Je weet het te vinden toch? Loop maar binnendoor.’  Ik knik en lach lief naar hem.  Hij zwaait. Ik loop door het huis heen naar buiten, het is er nog gezelliger als ik gedacht had. Overal staan leuke vaasjes en kazenstanders.  Ik wou dat het bij ons thuis zo leuk uit zag. Maar ja ik heb dit verdient. Tim is bezig in de keuken. Hij groet me en gaat dan weer door. Ik loop door de buitendeur naar buiten. Mieke is aan het rijden op een slank bruin paard. Het dier lijkt te vliegen.  Ik zwaai. ‘Zoek je Finn?’ Vraagt ze. Ik knik. ‘Hij staat in de wei.’ Zegt vrolijk. Ik loop langs de mooi aangelegde bak.  Ik zie Vinùr in de verte al staan. De zon  schijnt op mijn gezicht en ondanks de pijn voel ik me fijn. Het valt me op dat Vinùr een groot stuk van de rest van de kudde staat.  Ik ga op het hek zitten. De paarden zien er prachtig uit in het oranje avondlicht. Vinùr komt naar mij toe lopen, hij legt zijn zachte neus op mijn schoot. Ik aai over zijn gave hoofd. Hij is zo mooi, maar toch straalt hij iets  uit wat hem treurig maakt. Ik voel me fijn bij hem.  Hij draait zijn oortjes naar me toe. De puntjes van zijn oren zijn donkerder dan de rest van zij oren. Hij lijkt me te begrijpen, ondanks dat hij natuurlijk niks zegt. Ik leg mij hoofd tegen de zijne en sluit mijn ogen. Minuten staan we zo. Even ben ik weg van al mijn problemen. Ik zou wel uren willen blijven  zitten, maar de tijd tikt door en mijn moeder, bah zo wil ik haar niet eens noemen. Ik noem haar al zins mijn 10e Helena omdat zij gewoon geen moeder voor me is, ze verdient dat woord niet. Net zoals ik het niet verdien om een goed leven te hebben. Ik verpest alles.  Maar ja Helena dus komt natuurlijk ook nog weer terug, dus moet ik helaas gaan. Ik geef Vinùr een laatste aai en spring van het hek.  De landing doet pijn. Vinùr draait zich om en loopt weer naar de plek waar hij eerst ook stond. Ik loop het erf over en zie Mieke nog net de stal in lopen met haar paard. Ik kijk nog even achterom  en zie dat Vinùr staat te grazen. Vriend, zijn naam past bij hem.  Ik zie Ruben voor het raam staan, hij zwaait. Ik zwaai terug.  De blauwe plekken op mijn rug doen pijn. De zon gaat al een beetje onder en de straat kleurt oranje. De bomen lijken al groener als gisteren.

Ik pak de sleutel van de voordeur en draai de deur van het slot. Een walmende drank geur komt me tegemoet.  Ik pak mijn tandenborstel uit het kastje en poets mijn tanden. Ik bekijk mezelf in de grote spiegel. Wat zie ik er walgelijk uit. De tandpasta smaakt vies bitter, ik spuug het snel uit. De tandenborstel spoel ik even af. Dan loop ik de trap op naar boven. Snel kleed ik mij uit. Ik doe de gordijnen dicht en het licht uit. Met een plof beland ik op mijn bed, snel trek ik de dekens over mij heen. Ik draai me om. Het doet pijn. Diep adem ik in en uit. Ik ben moe, maar toch kan ik niet slapen.  Ik denk aan Vinùr, aan Helena, en aan school en het ongeluk. Overmorgen moet ik weer naar school.  Het is warm in mijn kamer, het zweet staat op mijn voorhoofd. Ik draai naar mijn andere zij. Weer pijn.  Ik zie de mooie ogen van Ruben weer voor me en weer voel ik mijn hele lichaam onder vuur staan. Ik probeer er maar niet meer aan te denken, ik kan hem toch nooit krijgen. Misschien heeft hij zelfs wel al een vriendin.  Ik voel me eenzaam,  maar toch al vrolijker als gisteren.  Ik zucht diep.  Dan val ik in slaap.

Ik hoor gestamp op de trap, dat zal Helena wel zijn. Snel spring ik uit mijn bed. Ik kan haar beter voor zijn. Ik trek mijn bh, hemdje, sokken en broek uit de kast en schiet in mijn kleren.  De deur gaat open, Helena staat voor mijn neus.  Ze bekijkt me met haar doorbrandende ogen aan. Mijn goede humeur is gelijk verpest.  Ik kijk haar aan en loop langs haar. Met goedemorgen hoef je bij haar niet aan te komen.  Ik strompel de trap af en pak een boterham uit de kast. Ik pak de laatste pot pasta uit de kast en smeer een dikke laag om mijn boterham.  Genietend van de dikke laag chocola zet ik de tv aan. Er is journaal op. Ik kijk in de gids en zie dat er een springwedstrijden op zijn. Even kijken. Ik zit meteen aan de buis gekluisterd. Grote slanke paarden springen over hindernissen van gok ik zo’n 1.40. Af en toe valt er een balk.  Het is best spannend.  Mijn boterham is intussen al lang op.  De barrage begint.  Een prachtig donkerbruin paard met de naam Impendur moet beginnen.  Helaas valt er een balk af bij de derde hindernis. Het 2e paar wint. De bel gaat, het zijn Ruben en Mieke. Ze vragen of ik wil helpen met de paarden. En of ik dat wil! Samen halen we de paarden van de wei. ‘Pak jij Finn maar!’ Zegt Ruben.  Ik ben blij, Vinùr is de enige die ik durf te vangen. Echt vangen is het niet, hij komt al naar me toe lopen.  Mieke geeft het halster aan me. Ik loop stapvoets op hem af.  Het is makkelijker dan ik dacht. Mieke heeft het gister voor gedaan.  Voorzichtig trek ik het halster over zijn oren.  Ik klik de musketon aan de ring. Samen lopen we de wei uit. Ruben steekt zijn duim op en glimlacht. Vinùr loopt zo achter me aan. Trots kijk ik hem aan. ‘Durf je een stukje met hem wandelen?’ Vraagt Ruben me. ‘Ja!’ Zeg ik enthousiast.  Ik sluit de poort achter me. ‘Zullen we een stukje door het bos? ’  Ik knik. Hopelijk kan in Finn houden.  Ik loop samen met Ruben over het pad langs het grote weiland.  Mieke loopt niet mee, ze is haar paard aan het opzadelen.  Hij kijkt me lief aan, ik lach naar hem.  Kort raakt hij mijn arm aan, ik voel me helemaal warm worden.  Het loopt best zwaar door het mulle zand.  Vinùr drukt zijn warme neus tegen mijn blote arm. Zijn neus is zacht. Het voelt vertrouwd.  Het is al best warm voor een lenteochtend.  We lopen richting een bosrand. ‘Hier links.’ Zegt Ruben.  We slaan links af. Vinùr volgt ons zonder dat ik het touw aan hoef te trekken.  ‘Wat was dat nou met je moeder?’ Vraagt hij lief en geïnteresseerd.  ‘Ze, ze is een beetje raar.’ Maak ik er maar van. ‘Wil je haar in het vervolg Helena noemen in plaats van mijn moeder. Dat verdiend ze niet. ’ Hij knikt begrijpend. Ik twijfel, zou ik het hem vertellen? Nee ik doe het toch maar niet.  ‘Gaat het?’ Hoor ik ineens naast me. Blijkbaar hem ik raar gekeken, ik antwoord met een geluid wat lijkt op mmm.  Om ons heen staan kleine struikjes en wat bomen. We lopen over een paadje met daar om heen gras. ‘Het is hier mooi!’ Zeg ik bewonderend.  Hij knikt: ‘Ja hè? Ik wandel hier vaak met de paarden.’ We stoppen om Vinùr te laten grazen. Ik ga zitten op de voet van een omgehakte boom.  Vinùr trekt het lange gras met wortel en al uit de grond. Het ziet er komisch uit, we lachen.  Het doet pijn aan de plekken in mijn zij. De zon schijnt tussen de bomen door op de grond. Er komen al weer blaadjes aan de bomen. Intussen legt Ruben me wat uit over delen van het paardenlichaam.  Finn kijkt op en staart me kort met zijn edele ogen aan.  ‘Zullen we verder lopen?’ Vraag ik. Ruben knikt instemmend. Ik voel kriebels in mijn maag als ik hem aan kijk, dus dat doe ik maar niet. Ruben trekt kort aan het halstertouw, Vinùr staat stokstijf stil. Hij geeft een rukje. Al zijn spieren zijn gespannen.  Ik zie het wit van zijn wijd open  gesperde ogen.  Het doet me denken aan mij en mijn moeder. Ik voel het bloed uit mijn gezicht wegtrekken.  Het doet me pijn om hem zo te zien.  ‘Lieke probeer jij eens!’ Zegt hij, ik snap niet waarom hij het aan mij vraagt. Ik pak het touw toch maar over. Vinùr kijkt angstig om zich heen.  Met mijn handen streel ik over de gespannen hals.  Mijn handen bewegen met zachte drukkende bewegingen. Langzaam voel ik de spanning onder mijn handen wegvloeien.  Ik loop rustig naar voren en zet lichte druk op het touw. De net zo angstige Vinùr volgt zonder problemen. ‘Goed gedaan!’ Zegt Ruben blij verrast.  We lopen naast elkaar. Ik spiek naar hem vanuit mijn oog hoek.   Blijkbaar heeft hij het door want hij kijkt me kort aan. We komen aan op een mooie openplek.  ‘Het is echt gezellig bij jullie thuis’ zeg ik zacht.  Hij glimlacht naar me. ‘Je bent altijd welkom dat weet je. ’  We kletsen wat over van alles en nog wat. De tijd lijkt voorbij te vliegen.  Er vliegt een mooie gele vlinder voorbij, hij vliegt de lucht in. Vrij als de wind.  ‘Zullen we terug lopen?’ Vraag ik. ‘Ja, is goed.’ Is het antwoord.  Stapvoets lopen we terug.  Af en toe aai ik Vinùr even.  Ik praat weinig tegen Ruben, maar toch voelt het fijn. Alsof ik minder eenzaam ben en hij me begrijpt.  Dan stap ik op een steen, er ik voel de punt door de zolen van mijn schoenen. Ik spring van schrik opzij, het doet pijn in mijn zij.  Vinùr schrikt van mijn sprong.  Hij is gelijk gespannen.  Ik kijk geschrokken opzij.  Finn is gelukkig weer rustig. ‘Gaat het goed?’ Vraag Ruben me.  Ik knik. ‘Mijn veters zijn los, wil je Finn even vast houden?’ ‘Voor jou altijd.’ Wat zal hij daarmee bedoelen. Ik geef hem het touw vlug aan.  Ik buk om mijn veters te strikken, het wil niet goed omdat de veters aardig kort zijn.  Ik denk na over rubens opmerking. Maar ik bedenk me ook dat ik toch geen kans maak. Ik vind hem leuk.  Tenminste, dat denk ik.  Snel doe ik nog een knoop in mijn veters en ren naar Vinùr en Ruben die intussen  al een stuk verder zijn.  Mijn bruine haren wapperen achter me aan.  Ik pak het touw over.  Intussen zijn we aan gekomen bij de kruising. We lopen het bos uit. De zon schijnt op mijn blote armen.  Ik aai Vinùr over het witte sterretje op zijn voorhoofd.  Ik voel wat hards en kijk. Het is een litteken in de vorm van een V.  ‘Hoe komt hij aan dit litteken?’ Vraagt ik.  Hij haalt zijn schouders op: ’Ik heb geen idee, hij had het al toen we hem kregen.’De paarden in het weiland staan wat te grazen.  Ik doe het hek van de wei open, draai Vinùr om en klik zijn halster los. Voorzichtig trek ik hem over zijn oren.  Ik geef hem nog een aai over zijn neus en draai me om. Hekje dicht. Ik kijk kort achterom, hij leunt met nek over het hek.  ‘Je mag nog wel even blijven hoor, ik ga uitmesten.’ ‘Mag ik helpen?’ Vraag ik. ‘Tuurlijk! Graag zelfs.’ Is het antwoord.  We lopen richting de stallen.  Ik krijg een mestvork in mijn handen gedrukt. Hij legt me uit hoe het moet.  Ik begin met de poep weg scheppen, het is best zwaar.  ‘Lukt het wel? Het hoeft niet hè?’ ‘Weet ik, maar ik wil het graag leren.’ ‘Oké!’. Ik kijk hem lief aan. Hij knipoogt.  Het vieze stro schep ik op een bult, Ruben schept het in een kruiwagen.  Ik pak een veger uit de opslag. Ik veeg alles bij elkaar.  Het doet pijn in mijn zij. Het is ook best warm, ik voel me een beetje duizelig.  Niet zwak zijn nu, gewoon doorzetten! Ik zie zwarte vlekken. Hij ziet het aan me. ‘Gaat het?’ Ik leun tegen de wanden van de box. Hij komt naast me staan.  Mijn t-shirt is nat van het zweet. Hij legt zijn arm om me heen. ‘Ga even zitten.’ Zegt hij zacht.  Nel komt intussen aangestormd.  ‘Meisje toch, gaat het wel?’ Ruben kijkt haar geïrriteerd aan. Ondanks de pijn moet ik er toch een beetje om lachen.   Nel loopt de stal weer uit, even later komt ze terug met een natte doek. De zwarte vlekken worden groter. Ik voel me misselijk, dan voel ik iets kouds tegen mijn hoofd, waarschijnlijk de doek van Nel.  De pijn schiet door mijn lijf, ik heb het warm en koud tegelijk.  Dan zie ik opeens een raar  beeld  voor me, het is donker ik zie een flits, dan hoor ik iets kraken.  Ik hoor een paard hinniken. Ik zie een paard, het oogwit is te zien. Al zijn spieren zijn gespannen.  Dan zie ik niks meer.  Ik kijk geschrokken op.  Was het verbeelding? Hoe kom ik hier bij? Mijn hele lichaam trilt. Het zal de pijn wel zijn, bedenk ik. Toch vind ik het raar, ik heb wel vaker pijn, maar ik hem nog nooit zulke beelden gezien. Ik weet niet hoe lang het geduurd heeft, maar langzaam aan gaat het iets beter. Mijn zicht word weer iets beter. Ik druk de natte doek tegen mijn voor hoofd. ‘Gaat het al beter?’ Vraagt Ruben bezorgd.  Ik slik de vieze smaak in mijn mond weg. Langzaam adem ik in en uit. ‘Ja’ Zeg ik zacht.  Ik heb ineens enorme dorst. ‘Mag ik misschien wat water?’ Vraag ik bibberend van de kou.  Nel knikt en haalt een glaasje water. Met grote teugen drink ik het glas. ´Dankje!´ Ik voel me al stukken beter. De grond onder me is kou. Rustig probeer ik te gaan staan. Nel ondersteunt me. `Lukt het? ´ Ik schud zacht ja. Ik voel me zwak, nu heb ik al weer hulp moeten vragen.  Het lukt me om te gaan staan.  Ik leun tegen de rand van de box.  Ik kan bijna nergens anders meer aan denken.  Steeds weer zie ik de angstige ogen voor me, het doet me denken aan de wandeling met Ruben en Vinùr.  Ondanks dat de misselijkheid is verdwenen  voel ik me niet goed.  Ruben ziet het aan me denk ik ‘Gaat het echt wel?’ Ik heb geen behoefte om het er nu met hem over te hebben en zeg dus maar snel ja. ‘Zou ik de dokter voor je bellen?’ Ik schud mijn hoofd ‘Niet nodig, het gaat wel weer.’ ‘Ik ga weer verder, als het niet gaat moet je gelijk even roepen.’ Zegt Nel met een bezorgde ondertoon. Ze loop de deur uit via de grote deur.  ‘Wil je nog wat water?’ ‘Nee dankje.’ ‘Ik ga maar weer eens’ Zeg ik zacht. Ondanks dat ik nog wel uren bij Ruben wil blijven, is het al best laat en gaat hij waarschijnlijk vragen stellen waar ik geen behoefte aan heb. ’Oke!’ Hij glimlacht, maar ik zie dat hij baalt. Maar misschien hoop ik dat ook alleen maar.  Ik twijfel, zou ik zijn nummer vragen?  Nee toch maar niet, ik durf hem waarschijnlijk toch niet te bellen. Het lijkt alsof hij gedachten kan lezen: ’Mag ik je nummer?’ Ik zie hem blozen.  ‘Ehh, ja tuurlijk.’ Ik laat hem liever mijn mobiel niet zien. Het is een oude van mijn vader, ik kreeg hem toen ik tien was, vlak voor hij vertrok. Het is dan ook modelletje koelkast.  Ik geef hem mijn nummer. Voorzichtig stap ik naar voren, ik wil niet vallen natuurlijk.  Gelukkig gaat het goed. ‘Doei!’ Zeg ik, ik geef hem nog een glimlach. Dan draai ik me om. ‘Doei!’ Roept hij me na. Ik zwaai.  Ik ben het erf nog niet af en ik hoor mijn mobiel al piepen. Ik gris hem uit mijn zak. 1 ongelezen bericht staat er in het schermpje.  Mis je nu al. R. Ik voel mijn hart sneller kloppen. Het doet me denken aan de verkering die ik in groep 8 had met een leuke jongen. Toen was mijn leven nog minder chaotisch. Het was een jongen met prachtige bruine ogen en blond haar. Hij leek eigenlijk best wel op Ruben.  Lang is het niet aan geweest, ondanks dat we elkaar wel erg leuk vonden. Dat kwam natuurlijk door Helena, toen ik hem een keer mee naar huis deed ze alsof ze de beste moeder ever was. Ik kon niet tegen dat schijnheilige gedoe en werd pissig. Ze heeft de jongen die Thijs heette de deur uit gezet. Ze werd natuurlijk hartstikke boos. En daar eindigde onze verkering.  Een paar weken later gingen we beiden naar een andere school, dus het was geen ramp. Maar toch.  Ik steek de straat over. Snel stuur ik een berichtje terug. Ik jou ook!L  Stuur ik terug, of had ik dat toch maar niet moeten doen? Nou ja nu is het al gebeurt. De deur zit op slot. Ik loop om.  Maar ook die deur zit op slot. Dan zie ik Helena voor het raam staan. Ze kijkt me met een vals lachje aan. Ze heeft gewoon alle deuren op slot gedaan! Ik loop om, naar het raam aan de achterkant van het huis. Gelukkig staat hij een beetje open. Ik steek mijn arm naar binnen en doe het raam wat verder open. Snel stap ik naar binnen. Ik sluit het raam een stukje achter me. Helena staat natuurlijk gelijk voor mijn neus, ze kijkt me boos aan.  Ik doe alsof ik het niet zie en loop langs haar. Ik ben bang dat ze me achter na loopt. Gelukkig blijft ze staan. Ik pak een eitje uit de kast en gooi hem in een koekenpan. Ik zet het fornuis aan, na een paar minuten begint het eitje een beetje op te drogen. Ik draai hem voorzichtig om.  Mijn mobiel  piept. ‘Wie is dat?’ Vraag Helena gelijk.  ‘Gewoon een vriend’. Ze kijkt me woedend aan. Ik lees het berichtje later wel, ze ontploft als ik nu kijk. Ik loop de trap op. Snel lees ik het berichtje: Morgen weer? En gaat het wel met je? X. Lief! Jammer dat ik morgen weer naar school moet. Ik schrijf een berichtje terug. Gaat goed met me hoor, kom morgen naar school. Heb wel een slecht rooster. X  Ik krijg gelijk nog een terug berichtje:  Is goed! Kijk eens uit het raam.. X  Binnen een paar passen ben ik bij het raam. Ik kijk naar de overkant, Ruben staat voor het raam te zwaaien. Ik zwaai terug.  Ik ga even douchen!x Schrijf ik hem. Ik loop de gang over naar de douche.  Snel draai ik de douche aan. Ik kleed me uit en poets mijn tanden. De spiegel probeer ik te vermijden, maar het mislukt. Wat wil je ook met een spiegel van 2,5 meter in de douche?  Hoe kan iemand nou zo lelijk zijn? Maarja ik heb het verdient.  Snel stap ik onder de douche. Het voelt fijn. Een paar minuten later draai ik de douche uit. Ik droog me af en trek mijn nachtjapon over mijn hoofd. Ik doe mijn slip aan. Ik kijk kort in de spiegel. Wat ben ik dik! En die flaporen er bij ook. Ik smeer mijn gezicht in met een crème voor droge huid en kam mijn haar. Dan loop ik de douche uit.  Half struikelend strompel ik de met blauwe vloerbedekking bedekte  trap af. Ik hoor mijn mobiel van boven piepen. Zuchtend draai ik me om en loop de trap weer op. 

‘Lieke let eens op!’ Hoor ik Mevrouw Jannen door het lokaal roepen. Ik schrik op en kijk haar aan. Ze vraagt me een moeilijke wiskunde som, waar ik natuurlijk geen antwoord op weet. Ik haal mijn schouders op. In mijn gedachten ben ik bij Vinùr en natuurlijk Ruben. Ik heb afgesproken dat ik vanmiddag naar ze toe ga. Ik heb er echt zin in. ‘Lieke! Ga maar een briefje halen!’ Ik schrik, dat is al de derde keer!  Dan sta ik toch maar op.  Het meisje achter me kijkt me aan, ze glimlacht vriendelijk. Tik lach terug. De gangen van het grote school gebouw zijn helemaal leeg.  Het ziet er eenzaam uit, het doet me deken aan Finn. ‘Lieke!’ Hoor ik menneer Bakker zeggen, net op tijd.  Bijna was ik gebotst,  ik moet ook niet steeds lopen dromen. Maar zonder dat ik er wat aan kan doen dwalen mijn gedachten al weer af.  Ik sta voor het kantoor van mijn conrector. Ik bons op de deur. ‘Ja! Kom maar binnen!’  Ik trek de deur open, hij kijkt over zijn schouder. ‘Alweer jij?’  Ik knik.  Hij geeft me een briefje, snel vul ik hem in. ‘Ga maar in de bieb zitten toto het volgende uur.’ ‘Doei.’ Zeg ik lusteloos terwijl ik de deur achter me dicht trek.  De bieb zit helemaal aan de achterkant van het gebouw, het is een flink stuk lopen.  Dan hoor ik ineens mijn mobiel piepen: Hey, zit je op school?.  Eigenlijk mag je niet Sms’en in school, maar ik ben er toch al uit gestuurd. Ja, maar ben er uitgestuurd. Sms ik terug. Rustig loop ik richting de bibliotheek, prachtige gekleurde schaduwen komen naar binnen via de grote glas-in-lood ramen.  Ik voel mijn flesje water in mijn rug drukken, mijn rugzak is versleten. Ik wou dat ik kon vluchten van alles en iedereen.  Ik voel me opgesloten in mijn eigen wereldje. Gelukkig heb ik Vinùr, het lijkt alsof ik hem al jaren ken. Ik had nooit gedacht dat ik me fijn zou kunnen voelen bij zo’n  groot dier.  Het is fris in de gangen.  Gelukkig ben ik er bijna. Het is rustig in de bibliotheek, op een paar 2e jaars na is het helemaal leeg. Eerst ga ik opzoek naar een boek,  ik kan niks vinden.  Dan zie ik ineens een map met mooie rode kaft staan:  krantenberichten (rampen, branden en inbraken) 1991,  op een of andere manier spreekt dat me wel aan. Ik schuif een stoel naar me toe, en maak me gemakkelijk met een kop koffie uit het automaat. Het is stil in de bieb, heel stil. Ontspannen bekijk ik de nieuwsberichten,  het papier is wat vergeeld. Er staan veel berichten in de map, sommigen zijn interessant, anderen interesseren mij weinig.  Dan valt mijn oog ineens op  een klein, oud uitziend bericht. Brand in stal. Maar voor ik het kan lezen word het ineens zwart voor mijn ogen,  ik voel me duizelig worden.  De letters dansen voor mijn ogen. Ik probeer mijn arm om te tillen om mijn haar naar achter te doen. Ik heb geen gevoel meer in mijn armen.  Het zweet loopt over mijn rug, mijn lijf tintelt.  Mijn hoofd lijkt te barsten van de pijn. Dan zie ik weer een paard, ik herken Vinùr erin.  Er flitst iets roods voorbij, bloed.  Weer die angstig ogen. Ik ben zo misselijk. Ik hoor hoe een paard tegen de deur botst. Ik hoor weer gekraak. Dan is het beeld weg, de misselijkheid blijft. Dan word het weer zwart.  Ik voel dat er iemand naast me staat, ik heb de kracht niet om te kijken.  Langzaam vaagt het geluid weg.

Ik sluit de voordeur achter me. Ik ben net thuis gebracht, ik was flauwgevallen vertelde mijn mentor. Toen ik wakker werd stond er een EHBO’er naast me.  Ze wouden me naar de dokterspost brengen,  maar naar lang aandringen hebben ze het toch niet gedaan. De pijn was al minder, en na een paar koppen thee hebben ze me naar huis gebracht. Ik heb me bij een ander adres af laten zetten, als Helena het merkt  heb ik gegarandeerd weer ruzie.  Ik pak een tijdschrift en ga in de zon zitten. Dan herinner ik mij het krantenbericht, ik heb het niet kunnen lezen. Ik vraag me af wat er in stond.  Een paar minuten later ben ik het vergeten. Zou Ruben thuis zijn? Zo straks in ieder geval wel, anders had hij vast niet ge-sms’t.  Ik blader het tijdschrift door,  er staat niks bijzonders in.  Ik leg het maar weer terug en besluit maar eens even bij de buren te gaan kijken.  Ik steek de straat over, en druk op de deurbel. Mieke doet open. ‘Loop maar om!’ Zegt ze met een zoals altijd vrolijk gezicht.  ‘Oké!’ Probeer ik zo vrolijk mogelijk terug te zeggen, ik pers er nog een glimlachje achteraan.  Ze lacht naar en sluit de deur. Ik loop om de grote boerderij, de kozijnen zijn crème geverfd. Het ziet er fraai uit.   De paarden staan blijkbaar in het weiland, want de bak en de stallen zijn leeg.  Ik loop op mijn gemakje naar het groene veld.  De paarden zijn minder rustig dan vorige keer,  in een flinke draf jagen ze door het land. Vinùr vliegt er in keiharde tὂlt achteraan. Zijn lange, wilde manen waaien op. Wat een kracht, ik ben bijna jaloers. Dan denk ik aan vanmorgen, de beelden die ik zag. Ik weet zeker dat het Finn was. Waarom zie ik dit soort beelden? Hoe kom ik erbij?  Ik zal het wel verbeeld hebben.  Ik fluit op mijn vingers zoals ik Ruben vorige keer heb zien doen. Het schelle geluid doet de paarden opkijken. Sommigen blijven staan, anderen komen er aan lopen. Vinùr blijft staan, hij lijkt voor zich uit te staren.  Een bruin paard steekt zijn hoofd over het hek, hij kijkt me met zijn grote bruine ogen aan. Ik aai hem, het lijkt een vriendelijk dier. Ik ga op het grote hek zitten. Dier draait zich om en begint te grazen.  Ik neurie zacht een liedje. Vinùr draait zijn oren naar me toe. In een uiterst relaxte stap komt hij op me af lopen.  Voorzichtig haal ik een paar grote klitten uit zijn manen.  Mijn handen maken strijkende bewegingen over zijn hals.  Het verdriet maar ook de rust die hij uitstraalt ontroert me.  Het doet me denken aan mijzelf.  Hij ontspant zichtbaar. Dan lopen er ineens tranen over mijn wangen.  Hij legt zijn hoofd op mijn knieën, ik aai zijn zachte grijze neus.  Ik schrik op als ik ineens iets hoor rommelen. Ik kijk om me heen, dan voel ik twee handen op mijn schouders. Het is Mieke. Snel veeg ik langs mijn ogen, ze hoeft niet te weten dat ik gehuild heb.   ‘Zit je lekker?’ Vraagt ze me. Ik knik instemmend. ‘Wil je me helpen longeren?’  ‘Ja, graag!’ Is mijn antwoord.  Ze geeft me twee halster:’Pak jij Finn en Napoliano even? Dan haal ik de spullen. ’  ‘Welke is Napoliano?’ Ze wijst naar een witte pony. Ik maak het hek van de wei open, en sluit hem achter me. Napoliano staat helemaal achterin de wei, gelukkig komt het dier kalm op me af draven. Even ben ik bang dat hij me omver zal lopen. Gelukkig is dit niet het geval. Ik klik het halstertouw vast, en lijd hem naar het hek. Ik geef het touw over aan Mieke die intussen bij het hek staat. Vinùr staat nog steeds bij het hek. Ik klik ook bij hem een touw vast. Samen lopen we richting de longeer- en buitenbak. ‘Zet Finn eerst maar in de buitenbak, dan leg ik het je uit.’ Ik jog richting de buitenbak, tot mijn verbazing draaft hij mee. Ik draai hem om en doe zijn halster af. Het halster hang ik om het hek.  ‘Lukt het?’  Roept Mieke me. ‘Ja gaat goed!’ is  mijn antwoord.  Op mijn gemak loop ik richting de longeerbak.  Mieke staat al klaar met Napoliano aan haar zij.  ‘Ik doe het eerst voor, daarna mag jij het proberen en Finn doen.’ Ik knik dat ik het er mee eens ben.  Ze pakt haar longeerzweep op en stuur Napoliano de cirkel op. Het ziet er best makkelijk uit. ‘Het gaat vooral om je lichaamstaal.’ Vertelt ze me. Ik bekijk haar goed, het paard reageert duidelijk op haar. Ze zet het paard in een rustig drafje en vertelt me hoe ze dat doet. ‘Kom eens naast me staan?’ Ik spring van het hek, iets te hard de pijn schiet door me heen. Even was ik vergeten dat ik dat soort dingen niet moet doen. Ik laat niks merken en ga naast haar staan.  ‘Zie je hoe ik de lijn vast houd? Probeer maar.’ Ik pak de lijn van haar over, het paard draait zijn oor kort naar me toe.  Het dier gaat over in stap. Ik zucht. ‘Wat moet ik nu doen? Ik kan dit niet hoor.’ Vraag ik onzeker.  ‘Wel joh!  Zet je schouder richting zijn kont,  je zweep ook.’ Ik probeer haar na te doen ‘Draf Nappie’ Zeg ik resoluut terwijl ik de zweep naar zijn mooie witte billen beweeg. Napoliano gaat over tot draf.  Ik hoor Mieke achter me klappen, ik kijk haar lachend aan. ‘Ga jij nog even door? Ik haal Finn voor je. Je mag hem ook wel in galop zetten.’ Ik knik  en concentreer me op Napoliano,  het dier draaft nog steeds. Ik drijf hem wat voorwaartser,  hij vergroot zijn passen gelijk. Het ziet er mooi uit.  Een glimlach verschijnt op mijn gezicht. Dan zie ik hoe Mieke Vinùr in de rijbak leidt en hem zijn hoofdstel om probeert te doen.  Ik kan mijn aandacht niet van hem af houden.  Zijn spieren zijn gespannen, hij lijkt bang.  Mieke trekt het hoofdstel over zijn oren. Ze praat zacht tegen hem.  Ik hoor iets van plastic achter me klappen, en in een flits zie ik dat Vinùr zich los trekt. In een flink tempo raast hij door de bak. Snel laat ik Napoliano stappen, voordat hij er ook van door gaat. Ik pak hem vlak bij het bit vast.  Vinùrs benen vliegen in de rondte, ik zie hoe ze nog net onder het hek weg kan duiken. Ik klik Napoliano los en loop naar haar toe.  Ze is spierwit  ‘Dat is dus de Vinùr die wij kennen.’ Zegt ze zacht. Ze trilt helemaal, ik pak haar vast. ‘Gaat het wel?’ Vraag ik.  Ze knikt. Vinùr racet nog steeds de bak rond.  Het hoofdstel hangt half over zijn hoofd, de bakstukken zijn gescheurd. Ik probeer hem te kalmeren, maar het helpt niks.  Hij blijft maar rennen, het wit van zijn ogen is te zien, zijn spieren zijn gespannen en hij is helemaal bezweet.  Ik voel de angst,  ik zie de beelden van vanmiddag weer voor me. Het duurt bijna  5 minuten maar dan zie ik hem eindelijk vertragen. Langzaam gaat hij over in draf en zelfs stap. Trillend staat hij stil, hij is uitgeput. Ik stap de bak in en loop rustig op hem af. Ik praat zacht tegen hem en haal voorzichtig het kapotte hoofdstel van zijn hoofd.  Hij staart me angstig aan,  ik streel over zijn fluwelen neus.  Hij voelt warm aan. Zijn hele hals is nat van het zweet. ’ Kalm maar jongen.’ Zeg ik zacht. ‘Pas je wel op?’ Vraag Mieke me, ze vertrouwd het duidelijk niet.  Ze geeft me een halster aan, ik doe hem voorzichtig om. Ik zie hoe hij langzaamaan weer wat kalmeert. Ook Mieke krijgt weer wat kleur: ‘Zullen we het longeren maar laten voor vandaag?’ ‘Ja lijkt me beter.’ Antwoord ik.  We zetten de paarden terug. Mieke gooit wat hooi over het hek.  Het is duidelijk zwaar want ze trekt een moeilijk gezicht.  Ik grinnik zacht. ‘Wil je binnen wat drinken?’ Vraagt ze. ‘Ja, graag.’ ‘Wie het eerst binnen is!’ Ze kijkt me uitdagend aan. Ik lach en begin gelijk te rennen.  Het doet pijn, maar ik wil me niet laten kennen.  Ik ben net iets eerder Lachend kijk ik haar aan. Ze schenkt wat thee voor me in. In drie grote teugen drink ik het glas leeg, ik had echt dorst. Mieke heeft blijkbaar ook dorst want ook zij slaat het glas in 1x achterover. Ze geeft me ook een koekje. Ik eet hem met kleine hapjes op.  Ze vraagt of ik een  film wil kijken.  We ploffen op de bank en zetten een leuke triller op.

‘Wil je blijven eten?’ Vraagt Nel me met een vrolijke blik.  Van haar heeft Mieke dat dus.  ‘Ja graag!’ Probeer ik zo enthousiast mogelijk te zeggen.  Ik zie aan haar dat ze me door heeft, maar ze gaat gewoon door: ‘We eten pasta, lus je dat wel?’ ‘Lekker!’  Antwoord ik, het is niet gelogen, ik vind pasta echt lekker.  We gaan over een half uur eten.  Ik bel niet naar huis, mijn moeder mist me toch niet.  De kamerdeur gaat open Ruben komt binnen.  ‘Heey, Lieke! Blijf je eten?’ Ik knik. ‘Leuk! Bereid je maar voor want m’n moeder kan dus echt niet koken.’ Zegt hij lachend. ‘Nee ze bakt er letterlijk niks van.’ Vult Mieke aan. Ik lach ‘Dat zal vast wel meevallen, ik ben wel wat gewend.’ Dat had ik beter niet kunnen zeggen, Ruben kijkt me met zijn mooie ogen bezorgd aan.  Ik doe of ik het niet zie en kijk naar buiten. Toevallig zie ik mijn moeder net aan komen rijden.  Ze mag me niet zien snel duik  achter de bank. ‘Wat doe je?’ Vraagt Ruben me verbaasd. ‘Niks hoor, even veterstrikken’ Slechte smoes ik zie dat hij me niet gelooft. Waarom heeft deze familie mij zo snel door? ‘Mag ik even naar de wc?’ Vraag ik maar snel. Hij knikt  ‘Ik loop wel even mee naar de deur.’ Ik glimlach. We lopen door de lange gang. ‘Lieke ik ken je nog niet zo lang, maar wat is er met je? Waarom dook je net achter de bank?’ Hij kijkt me doordringend aan.  Ik kijk in zijn prachtige bruine ogen.  Ik wil iets zeggen maar mijn stem stokt in mijn keel. Hij ziet het aan me ’Sorry, het gaat me ook niks aan.’ Ik glimlach en trek de wc deur open.  Ik hoef helemaal niet dus ga ik gewoon rustig zitten, na een poosje spoel ik de wc door. En haal ik de deur van het slot.  Hij staat een paar meter verderop te wachten. ‘Zullen we nog even naar boven?’ Vraag ik. Hij knikt, we lopen de grote houten trap op. Hij laat me de boven verdieping zien. Eerst Miekes kamer, haar muren zijn zachtroze en ze heeft eikenhouten bureau.  Het ziet er gezellig uit.  Daarna gaan we naar de badkamer,  het is er klein maar wel gezellig.  Ook de kamer van Nel en Tim word geshowd, het is er zwart wit ingericht. Daarna gaan we richting zijn kamer. Ik ga op zijn bed zitten en kijk naar buiten.  Het waait flink. ‘Lieke?’ Ik kijk hem aan.’Op welke school zit jij?’ ‘Janijdahuis college’ Antwoord ik.  ‘Ik ook!’ Zegt hij blijverrast.  Tenminste zo lijkt het. Ik lach, maar echt blij ben ik niet.


Word vervolgt.

Kopieeren is uiterst verboden, en er staat staf op voor menen die dit we doen!